Theo Bitter - Interieur
Theodorus 'Theo' Bitter
Den Haag 1916-1994
Interieur met uitzicht (atelier Riouwstraat), olie op doek 120,2 x 97,9 cm., gesigneerd r.o. en verso en gedateerd Mei '47

George Erfmann - Zonnebaden op het strand.
'Ferdinand' George Erfmann

Rotterdam 1901-1968 Sardinië (Italië)
Zonnebaden op het strand, olie op doek 40,3 x 60,3 cm., gesigneerd l.o. met initialen en gedateerd 1967


Erik Bart Andriesse

Bussum 1957-1993 Amsterdam
Amaryllis, gemengde techniek op papier 49,7 x 66,5 cm.

De figuratie is een constante in de Nederlandse beeldende kunst van de 20e eeuw, ook na de Tweede Wereldoorlog, wanneer experiment en abstractie de boventoon gaan voeren.

Protest tegen abstractie

Soms is de figuratie een vorm van protest tegen het monopolie van de abstractie. Zo werd in 1945 door Kees Verwey en Otto B. de Kat de Hollandse Aquarellistenkring opgericht, waarvan de kunstenaars zich in sterke mate baseerden op de zichtbare werkelijkheid en zich richtten op traditionele onderwerpen als het landschap en het stilleven. In korte tijd sloten vele kunstenaars zich aan, onder wie Kees Andréa, Jan Wiegers en Matthieu Wiegman. In Amsterdam formeerden zich in 1948 de Realisten, met Nicolaas Wijnberg, Theo Kurpershoek en Hans van Norden als initiatiefnemers. Zij wilden expressieve figuratieve kunst ontwikkelen als tegenhanger van de abstractie. Jaarlijks volgden tentoonstellingen van een wisselend samengestelde groep met deelnemers als Jan van Heel, Herman Berserik en Kees Andréa. Hoogtepunt was de tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1951. In het ‘hol van de leeuw’, want onder leiding van Willem Sandberg was dit museum destijds ook een platform voor de Cobrabeweging.

Nieuwe Haagse School

Ook in Den Haag, het tweede belangrijke kunstcentrum in die tijd, was er naast de abstractie ruimte voor figuratieve tendensen. De Haagse kunstenaarscollectieven Verve (1951-1957), De Posthoorn (1956-1962), Atol (1959-1962) en Fugare (1960-1967) zochten eveneens naar vernieuwing, maar schuwden daarbij de figuratie niet. Kees Andréa, Herman Berserik, Theo Bitter, Jan van Heel, Co Westerik en Ferry Slebe waren verbonden aan Verve. Fugare kende veel oud-leden van Verve, en ook binnen deze groep was er ruimte voor zowel abstractie als figuratie. De Posthoorn ontleende haar naam aan een café waar vanaf 1949 door experimentele kunstenaars werd geëxposeerd, onder wie Jan Roëde, Jaap Nanninga, Willem Hussem, Jan Cremer, Lotti van der Gaag en Theo Bitter. Atol bestond maar kort en had weinig leden, sommigen eerder verbonden aan De Posthoorn. Het Haagse Gemeentemuseum organiseerde van 1947 tot 1959 acht tentoonstellingen die als podium voor de Haagse avant-garde dienden. Bij een van die exposities werd de term 'Nieuwe Haagse School' gelanceerd.

Eigen weg

Daarnaast zijn er de kunstenaars die het realisme - Nieuwe Zakelijkheid, het surrealisme en het magisch realisme - voortzetten dat een aanvang nam in de jaren ’30 van de 20e eeuw, bijvoorbeeld Charley Toorop, Edgar Fernhout, Ger Gerrits en Gerard Röling. Verder zijn er natuurlijk de schilders die hun eigen weg zoeken binnen de figuratie, zoals Jan Voerman jr., Sal Meijer, Willem van den Berg, Jan Bogaerts, Ferdinand Erfmann, Harm Kamerlingh Onnes, Anton Heyboer, J.H. Eversen, Henk Helmantel, Marlene Dumas en Erik Andriesse. Opvallend is dat na 1945 veel beeldhouwers vasthouden aan het ambacht en een figuratieve stijl, zoals Mari Andriessen, Charlotte van Pallandt, Piet Esser, Hildo Krop, Han Wezelaar en Theresia van der Pant.