Gerben de Jong
Gerben 'Germ' de Jong
Sint Jacobiparochie 1886-1967 Overveen
Boerenhuis in de winter, olie op doek 85,8 x 100,7 cm., gesigneerd r.o. en gedateerd 1919

Kees Maks
Cornelis Johannes 'Kees' Maks

Amsterdam 1876-1967
Tiroler ballet in the Bouwmeester Revue, gouache on paper 48 x 68 cm., signed l.l. and painted ca. 1938

Piet Mondriaan
Pieter Cornelis 'Piet' Mondriaan

Amersfoort 1872-1944 New York
Boerderij Geinrust achter bomenrij aan het Gein, olie op doek 47,7 x 63,8 cm., gesigneerd r.o. en te dateren ca. 1905-1906

Tussen Amsterdam en Parijs: de Nederlandse avant-garde in het begin van de 20e eeuw.

Onder de klassiek modernen verstaan we de Nederlandse kunstenaars die in het eerste kwart van de 20e eeuw bekend werden door de vernieuwing en durf die uit hun werk sprak; zowel wat hun onderwerpen als manier van schilderen betreft. Parijs was in deze jaren het artistieke Mekka, waar het postimpressionisme, fauvisme, kubisme en expressionisme zich presenteerden op de Salons en tal van tentoonstellingen. Jonge kunstenaars trokken voor korte of langere tijd naar de Franse hoofdstad om er kennis te nemen van deze vernieuwende stromingen en vervolgens hun indrukken te verwerken in een eigen, moderne stijl. Na terugkeer in Nederland vestigden velen van hen zich in Amsterdam, waar het kunstklimaat met de jaarlijkse tentoonstellingen van St. Lucas en, in 1905, de eerste Van Gogh-tentoonstelling een vruchtbare bodem vormde voor verandering en experiment.

De moderne kunst uit deze tijd kent dan ook vele stijlen, scholen en stromingen. Deze zijn zelden duidelijk begrensd, ze zijn vaak overlappend en altijd complex. Het werk van Jan Sluijters en Leo Gestel, Jan Toorop, Otto van Rees en Lodewijk Schelfhout behoort ertoe. Evenals het vroege expressionisme van De Ploeg, de Bergense School en het Amsterdamse luminisme. Daarnaast worden ook tal van individualisten tot de avant-garde gerekend, zoals de schilders Kees Maks, Germ de Jong, Dirk Nijland, Jacob Bendien, Frits Klein en Adriaan Lubbers.


Piet Mondriaan 1905-1908: zoektocht naar volmaaktheid.

Ook het werk van Piet Mondriaan uit het begin van de 20e eeuw kenmerkt zich door een drang naar zoeken en experiment. In de periode 1895-1908 maakte hij zich onder invloed van de theosofie en eigentijdse kunststromingen langzamerhand los van de zichtbare werkelijkheid en experimenteerde hij met kleuren, beeldopbouw en vereenvoudiging van vormen. Dit zou er uiteindelijk toe leiden dat hij de natuur in abstracte horizontale en verticale lijnen en vlakken in primaire kleuren weergaf. Ongeveer vanaf 1902 schildert hij gedurende langere tijd landschappen in de buurt van zijn woonplaats Amsterdam, met tussen 1905 en 1907 de nadruk op de oevers van het Gein, die hem een bijna onuitputtelijke rijkdom aan motieven bieden. Molens, boerderijen en stille rivieroevers verbeeldt hij vanuit diverse standpunten, op verschillende uren van de dag in volle, sterke kleuren of in een tonaal palet. Hij experimenteert met vorm, compositie en lichtval. Vooral tussen 1905 en 1908 concentreert zijn onderzoek zich steeds intensiever op de werking van het licht van zon of maan. In deze schilderijen vervallen dikwijls de details en bepalen eenvoudige, krachtige vormen – boomgroepen, molens ­– het beeld. Het zijn stille, dromerige landschappen die niet zozeer een weergave lijken te zijn van wat de schilder zag als wel volmaakte composities vormen waarin niets toegevoegd of weggelaten kon worden. Mondriaans gehele oeuvre beschouwend wordt het duidelijk dat de werken die ontstaan zijn tot 1910 een opmaat waren voor zijn latere geometrisch-abstracte werk.